|
|
|
|
|
|
||
|
|
|||||
|
|
|
|
De man in de wereld en de wereld in de mandit Artikel verscheen in het Jubileummagazine (oktober 2004) mannenwerk.nl Het Mannenwerk bestaat 25 jaar.
Als voorzitter hoor je dan een moment stil te staan bij waar we op het
moment zijn, terug te blikken op wat we gedaan en bereikt hebben, en
vooruit te kijken op wat ons in deze tijd, in deze wereld te doen staat.
In het werken met mannen hebben we ons al die jaren, hoewel de vorm er
steeds wat anders uitzag, altijd op hetzelfde gericht: persoonlijk
leiderschap en bewustzijn. Werken met deze thema’s heeft ons kracht en
helderheid opgeleverd. Maar het heeft ons gelukkig ook geconfronteerd met
ons menselijk onvermogen. ‘Gelukkig’ zeg ik, omdat het ons gevoelig en
mild maakt voor het gegeven dat mensen niet volmaakt zijn. Het relativeert
onze ideeën over autonomie, verantwoordelijkheid, effectiviteit en succes.
En het houdt ons in contact met het lijden van de wereld. In een interview in
de Volkskrant antwoordt regisseur Paula van der Oest op de vraag
waarom haar films zo vaak over menselijk onvermogen gaan: ‘Het is wat
iedereen drijft. Mensen willen iets en in de meeste gevallen lukt dat niet.
In je leven doe je heel veel moeite, je worstelt en ploetert, brengt
offers, maakt soms wel eens prettige dingen mee, en aan het eind ervan ga
je dood. Als ik daar goed over nadenk vind ik dat onverdraaglijk. Ook de
fouten die je van generatie op generatie doorgeeft. Daar word ik wel
somber van. Dat je niet onder sommige dingen uitkunt. Voor je het weet,
denk je: goh, dit lijkt bijzonder veel op de situatie van dertig jaar
geleden. Maar het is ook de
schoonheid van het leven!’ Op
het eerste gezicht misschien een wat zwaarmoedige kijk op het bestaan.
Toch is de laatste film van regisseur van der Oest, over Surinamers in de
Bijlmer, door recensenten beschreven als een: ‘vrolijke, lichte, feel
good-movie’. Ze spreekt in het interview over
menselijk geworstel en geploeter en ziet daar tegelijkertijd de schoonheid
van het leven in. Mijn hart springt er van open.
Kerkvader Augustinus
beschouwde het in de vijfde eeuw al als het hoogst haalbare voor de
mens: het lijden van de wereld mee te kunnen lijden en zich tegelijkertijd
te verheugen over het wonder en de schoonheid van de schepping. Dat besef
van de eenheid van alle leven kan je terugvinden in alle grote
wereldreligies. Het is in feite ook de wezenlijke betekenis van het woord
religie: ‘verbinding’. Alles
en allen op de wereld zijn met elkaar verbonden. We ademen dezelfde lucht
in en uit, alle wateren op aarde staan met elkaar in verbinding. Als de
lucht en het water ergens vervuild raken dan tast ons dat allemaal aan. We
willen dat niet altijd beseffen omdat het zo overweldigend is in zijn
consequenties, maar intuïtief weten we dat het zo is. De pijn van mensen,
honger, armoede, geweld, alle lijden van mensen in de wereld gaat ons
allemaal aan. En omgekeerd is het ook zo dat elke daad van ons effect
heeft op de hele wereld. In
het Chassidisme, een Joodse mystieke stroming, wordt
letterlijk gezegd, en niet alleen maar bij wijze van spreken:
‘als je één mens op deze wereld redt, dan red je de hele mensheid!’ We hebben in het
westen geen traditie meer van spiritueel leiderschap. Niemand
begeleidt ons als wij op bepaalde momenten in ons leven ‘grote’
inzichten en ervaringen hebben. We
hebben een ambivalente houding tegenover ‘verlichte geesten’. We laten
ons nog wel aanspreken en inspireren door hun overstijgende uitspraken en
levenswijzen, maar voor het gewone dagelijkse leven lijken ze toch te ver
van ons af te staan, lijken ze vaak ook te radicaal. Toen ik twintig was
heb ik een ontnuchterende ontmoeting gehad met Krisnamurti. Ik was naar
een bijeenkomst gegaan in het Congrescentrum in Den Haag. Ik was jong,
idealistisch en hongerig naar antwoorden op de grote levensvragen: wie
zijn wij, wat is de zin van ons bestaan, en wat staat ons te doen? En ik
wilde oplossingen voor de ongerijmdheden van oorlog en onrecht in een
wereld die tegelijkertijd ook zo wonderlijk mooi was. De zaal zat vol met
zoekers en verlangers. Ik zat op de derde rij en om mij heen zaten oude
dames met lange vlechten en wijde jurken. We zaten allemaal in een
prettige opwinding te wachten op de man die het wonder aan ons zou gaan
voltrekken en ons vervullen met zijn wijsheid en liefde. Ik kende hem van
zijn boeken, dus ik had beter kunnen weten. Ik wist dat hij in het begin
van de twintigste eeuw door de theosofenvereniging ontdekt was als
‘verlicht meester’ en dat ze hem naar voren hebben proberen te
schuiven als leider van een nieuwe wereldwijde religieuze beweging, maar
dat hij voor de eer had bedankt. Hij hief persoonlijk de hele organisatie
op omdat hij van mening was dat organisaties schadelijk zijn voor het
zoeken naar waarheid en vrijheid: ‘Truth is a pathless land!’
Krisnamurti kwam langzaam, oud, klein en stil het podium van het
congrescentrum oplopen en ging op een rechte stoel zitten. Hij zweeg lang
en hij ademde. Ik kon hem recht in zijn gezicht zien. Het was alsof er
helemaal niemand zat. Vanaf het moment dat hij begon te spreken leek hij
er voornamelijk op uit om al onze verwachtingen en hoop om zeep te helpen.
Hij sprak een beetje eentonig, leek wat nors, en reageerde vermoeid op de
vragen die uit het publiek aan hem gesteld werden.
Elke vraag werd
teruggeketst, elke vrager op zichzelf terug geworpen. Er was geen
verlossing, geen liefde, geen bevrijding: ‘De waarheid ligt in het
kijken naar wat is. Zichzelf zien zoals men is, is het begin en het einde
van alle zoeken’. Ik vond het een kale en sombere visie op het leven. Ik
was twintig, worstelde met
mijn homoseksualiteit en ik wilde mezelf helemaal niet zien zoals ik was,
ik wilde boven mijzelf uitstijgen. Het heeft daarna nog jaren geduurd
voordat ik de schoonheid van zijn levenshouding kon zien en zelf ervaren.
Midden jaren tachtig
van de vorige eeuw heb ik bij toeval nog zo’n heilig icoon uit de
twintigste eeuw ontmoet. Ik was een week in een klooster toen Moeder
Theresa op bezoek kwam bij de prior met wie zij bevriend was. Er was eerst
een gerucht, toen een zekerheid en vervolgens was iedereen in blijde
verwachting: ‘Moeder komt!’ Toen zij uiteindelijk, voor een ontmoeting
met de gasten van het klooster, de kerk binnenkwam
was ik geraakt door haar verschijning. Een klein, oud en
doorschijnend vrouwtje. Wat ik van haar dacht te weten was dat ze vrij
simpel was, recht toe recht aan. Ik wist dat ze een religieuze gemeenschap
had gesticht en dat ze zich persoonlijk inzette voor de allerarmsten, dat
ze sterfhuizen had opgericht in Calcutta waar hindoes, moslims en
christenen waardig konden sterven, omringd met de riten van hun eigen
geloof, in plaats van als een dier hun leven op straat te eindigen. Ik
wist ook dat er veel kritiek op haar was. Ze zou de armoede juist in stand
houden door haar persoonlijke en praktische aanpak, omdat ze geen aandacht
schonk aan structurele oorzaken van armoede en ongelijkheid. Toen ze begon
te spreken was ik verbaasd over haar kracht en helderheid. Ze sprak er
over dat er altijd menselijke armoede was geweest en dat die er ook altijd
zal zijn, op vele niveaus. Ze zei dat het niet belangrijk was hoevéél je
voor de armen in de wereld deed, maar met hoeveel líefde je het deed. Ze
sprak over de armoede van het rijke westen; de spirituele ‘sterfhuizen’,
de vervreemding, het gevangen zijn in consumentisme, de eenzaamheid van
oude mensen, het doorgedraaide individualisme, de verlatenheid van
jongeren, het gebrek aan verbinding met een groter geheel, het verliezen
van de eenvoudige vreugde van het wonder van het bestaan. En ze noemde die
armoede dieper en wezenlijker dan de armoede van ontwikkelingslanden. En
ze zei tegen ons: Wil je wat doen aan de ongelijke en onrechtvaardige
verdeling van middelen in de wereld? Vereenvoudig dan je leven, deel met
anderen het weinige wat je hebt en vind daarin je vreugde! Wil je wat doen
tegen oorlog en geweld? Verzoen je dan met jezelf, met de schaduwkanten
van jezelf, en verzoen je met de mensen die je niet uit kunt staan! Krisnamurti en
Moeder Theresa zijn niet meer in het land der levenden. Maar wij nog
wel. Het mannenwerk bestaat 25 jaar. Ik ben er van overtuigd dat het juist
in deze tijd en in deze wereld van groot belang is dat het Mannenwerk een
plek blijft creëren waar mannen zich kunnen bezinnen op waar ze staan en
wat ze voor zichzelf en het grote geheel te doen hebben. Een tijdje terug
verzuchtte een vriend van mij, nadat hij voor de zoveelste keer naar een
begrafenis van een geliefd persoon was geweest: ‘Weer een bijzonder,
lief en wijs mens weg!’ Ik heb hem toen gezegd, en ik zeg het hier en nu
tegen iedereen die dit leest: ‘Er zit niets anders voor ons op dan zelf
maar bijzondere, liefdevolle en wijze mensen te zijn!’ Hendrik Grashuis voorzitter Stichting Mannenwerk
|
|