|
SIETSKE
DIJKSTRA:

“Mannen,
zijn net zoals vrouwen soms heel erg kwetsbaar en heel erg
gekwetst”.
Weergave
van een gesprek,
door
Vivan Mell.
Sietske
Dijkstra is gepromoveerd psycholoog en zelfstandig werkend
academicus. Daarbij richt zij zich op lichamelijk en geestelijk
geweld in intieme relaties en de rol van professionals. Naast haar
eigen bureau geeft zij op dit moment al weer vier jaar leiding aan
een lectoraat Huiselijk geweld en hulpverlening in de keten aan de
Avans Hogeschool in Breda. Ook is zij lid van de Commissie Samson,
die in 2010 door het rijk in het leven geroepen om onderzoek te
doen naar het seksueel misbruik van kinderen die door de overheid
uit huis zijn geplaatst en in rijksinstellingen zijn
ondergebracht. Dit in navolging van de Commissie Deetman, die
onderzoek doet naar het seksueel misbruik van kinderen door
gezagsdragers binnen instellingen van de katholieke kerk.
Sietske
Dijkstra heeft zo’n vijftien jaar geleden onderzoek gedaan naar
de aard, de gevolgen en de hulpverlening bij seksueel misbruik van
jongens en mannen. Later gebeurde dat nog eens over hoe kinderen
omgingen met het getuige zijn van partner geweld. Veel mannen die
aan onze activiteiten deelnemen hebben in hun jeugd te maken gehad
met geweld in al haar verscheidenheid. Gezien haar specifieke
deskundigheid is het hoog tijd om haar aan het woord te laten over
haar keuzes, waar ze haar kracht en bezieling vandaan haalt, wat
mannen nodig hebben en wat hen te doen staat.
In
wat voor milieu ben je opgegroeid?
“Ik
ben als boerendochter, met twee broers en twee zusters, opgegroeid
op het Friese platteland. Wij hadden een familiebedrijf en hielpen
allemaal mee. Veel tijd voor ons zelf of onze hobby’s hadden wij
niet. Ik was gek op leren en lezen. De ruimte die ik kreeg
gebruikte ik om te lezen, te lezen en nog eens te lezen. Het
liefst onder tafel om een beetje uit het zicht te zijn van
iedereen en alles. Wij woonden in een klein dorp. Als puber vond
ik het er maar saai.
Ik kon goed leren, maar daar lag bij mij
thuis niet zo het accent op. Mijn ouders vonden het wel belangrijk
dat wij ons verstand goed gebruikten. Mijn liefde voor het leren
en dingen ontdekken is groot, ik wilde beslist naar de
universiteit. Mijn keuze voor psychologie is goed geleken.
Naast de zelfstudie (filosofie,
onderwijskunde, maatschappijleer, existentialisme, antipychiatrie)
zocht ik naar een onderwerp dat me te pakken kreeg. Dat gebeurde
toen er interviewers werden gezocht voor het onderzoek van Nel
Draijer naar seksueel misbruik (zij deed als eerste in Nederland
onderzoek naar seksueel misbruik van vrouwen en meisjes). Daar heb
ik op gesolliciteerd en ik werd ik aangenomen. Ik heb toen door
het hele land interviews gehouden, ook in Friesland. Als geboren
en getogen Friezin kon ik daar goed terecht. Die periode was een
enorme eyeopener. Ik ontdekte dat onderzoek erg zinvol kan zijn.
Het was net alsof alles op zijn plek viel. Ik ben daarom bij dat
onderzoek gebleven en heb een scriptie geschreven over seksueel
misbruik. Ik realiseerde me, ik was 25 jaar, dat als ik daar iets
van wilde begrijpen het loonde om trouw te blijven aan het
onderwerp. Dat heb ik toen gedaan en het lot heeft mij daar ook
wel een beetje bij geholpen, ook als onderzoeker. Het is dus geen
fase in mijn leven gebleken. Het raakte mij, het ging om dingen
die er naar mijn smaak echt iets toe doen. Iets van het geweld en
wat het nalaat begrijpen, daaraan iets bijdragen in de
samenleving, dat wilde ik doen”.
Is het je passie is geworden, je
levenskracht?
“Dat
kan voor veel mensen nogal verschillen, maar in mijn geval denk ik
dat de zin van mijn werk en mijn passie ervoor op elkaar in
werken. Eerlijk gezegd is dat een grote vreugde als je zo iets
vindt. Lang niet iedereen heeft dat. Ik put daar veel plezier en
voldoening uit. Dat is bijzonder en verrijkend. Het heeft
tegelijkertijd een enorme impact”.
Is het nodig dat professionals in dit
werkveld zelf ervaring hebben gehad met huiselijk geweld, om zich
goed in anderen te kunnen verplaatsen”.
“Voor mij is het absoluut geen maat der
dingen dat je geweldservaringen zelf moet kennen om ze te kunnen
begrijpen. Gelukkig niet zou ik haast zeggen. Natuurlijk is het
wel belangrijk dat je het nodige inlevingsvermogen hebt als je met
dit werk bezig bent. Het is ook van belang om te blijven werken
aan je vaardigheden. Dat speelt nu bij het meldpunt van de
commissie Samson. Tijdens gesprekken die je met betrokkenen hebt
kan het zijn dat je geïrriteerd raakt omdat iemand over je
grenzen heen gaat. Bijvoorbeeld als je al een aantal keren het
gesprek wil afronden en de ander wil dat niet. Of dat je denkt:
“Jeetje zeg, hoe kan het zo zijn dat iedereen zich daar de
handen van af getrokken heeft”. Je wordt dan almaar bozer. Dan
komen er soms dingen bij kijken waar je empathie op de proef wordt
gesteld. Het is niet alleen maar empathie. Het is soms ook grenzen
stellen en bewaken. Ook die vaardigheid is niet voor iedereen
weggelegd. De eigen ervaring kan een enorme rijke bron zijn, maar
ook je grootste struikelblok”.
Hoe is de verhouding mannen en vrouwen in
de wetenschappelijke wereld en vooral in jouw werkveld?
“De
verhouding tussen mannen en vrouwen is niet gelijk. Kijk maar naar
het aantal lectoren, één op de vier is vrouw . In
hooglerarenland zijn er nog veel meer mannen. In de huidige
regering vind je dat ook terug. Ik word ik er wel droef van. Het
cliché is, we kunnen ze niet vinden of ze zijn er niet. Ik geloof
dat dit niet zozeer aan de hand is. Gender speelt hierin naar mijn
mening, net zoals bij geweld, wel degelijk mee. Het onderwerp
kindermishandeling heeft bijvoorbeeld altijd meer mannelijke
deskundigheid aangetrokken dan vrouwelijke. Als ik naar huiselijk
geweld kijk gaat het niet alleen over partnergeweld maar ook over
andere vormen zoals eer gerelateerd geweld. Er zijn veel meer
vrouwen die zich aan dat onderwerp verbinden. Deze rolverdeling
zie je het duidelijkst terug op de werkvloer met zo’n 90%
vrouwen en maar 10% mannen. Het is van essentieel belang dat
mannen zich ook professioneel met deze problematiek gaan
bezighouden. Dat betekent niet dat we meer blauw op straat moeten
hebben als het over veiligheid gaat. We moeten oog hebben voor hoe
dat ook in intieme relaties gaat, over de klappen die mogelijk
vallen, de manier waarop we knechten. ‘Eer’ is wat mij betreft
niet iets wat we alleen aan allochtonen moeten uitbesteden”.
Hoe komt het volgens jou dat mannen zich
minder aan dat onderwerp verbinden?”
“Naarmate er meer vrouwen toetreden tot
dit vakgebied lijkt de status wat af te nemen. Het lijkt dan
minder belangrijk. Dat is overal nog steeds een effect dat er toe
doet. Ik wil daarbij nadrukkelijk stellen dat geweld in de privésfeer
niet alleen een vrouwenzaak kan en mag zijn. Het is ontzettend
belangrijk om mannen erbij te betrekken en hen op die punten te
verbinden en te bezien waar er een gemeenschappelijke grond
bestaat en wat het eigen aandeel is. Om die reden werk ik ook
regelmatig samen met mannelijke deskundigen zoals Pieter-John
Schouten. Ik heb bij VSK in Nijmegen samen met hem een lezing en
groepsgesprek gehouden over mannen met seksueel misbruik
ervaringen, hun zoektocht naar hulp, de doolhoffen en de
doofpotten. Juist bij deze lezing wilde ik dat samen met een
bekwame man doen. In mijn ogen kon en kan dat niet anders bij
dergelijke lezingen. Om die reden was ik ook erg blij met zowel
mannen als vrouwen in die zaal”.
Mannen bewegen zich naar mijn gevoel vaak
te veel binnen hun eigen kringetje. Ze zijn in mijn ogen te veel
met macht bezig.
“Ja,
daar raak je ook aan de kern van geweld. Geweld kan veel
uitingsvormen hebben. De kern daarvan is dat het altijd gaat over
de inzet van macht en machtsverschil. Dat raakte me nogal bij een
documentaire van ”Andere Tijden”. Daarin vertelde een man van
middelbare leeftijd of misschien nog iets ouder over zo´n
situatie. Hij werd misbruikt door de ene pater en geslagen door
een andere. Daarbij had hij voortdurend het gevoel dat die paters
het onderling uitwisselden en hij daarin opnieuw slachtoffer werd
van meerdere plegers. Dat is wat macht kan doen. Macht kan zo
corrumperen en mensen zo godvergeten alleen maken.
Wat wil je met je werk bereiken?
“Ik wil groepen samen brengen. Niet
alleen studenten en docenten maar ook het werkveld en
professionals, directeuren, beleidsmakers van gemeenten,
rijksoverheid en vooral ook de landelijke politiek. Ik wil ze
allemaal op een of andere manier met elkaar samen brengen. Al is
het maar om te zien waar het piept en knarst of waar we een stap
gezamenlijk kunnen zetten. Ik denk dat het belangrijk is om
plekken te zoeken waar mensen samen gebracht kunnen worden om aan
een gemeenschappelijk doel te werken. Het lectoraat biedt mij daar
het podium voor. Dat is mooi. Dat betekent dat ik mooie dingen kan
gaan maken en kan zorgen dat mensen die daar behoefte aan hebben
meer op hun wenken bediend worden. Er zijn veel sectoren waar
professionals de touwtjes aan elkaar moeten knopen. Dus dat beetje
extra, of die aandacht voor hun vak, dat schenk ook voldoening. Ik
ben daarom erg blij dat het lectoraat vier jaar is verlengd.
In dit vakgebied zit je, net zoals met het
Mannenwerk, met de vraag hoe we de zaken in kunnen bedden. Dat
wordt voor ons lectoraat een van de grote uitdagingen voor de
komende jaren. Ik wil dan ook werkprincipes of methoden
ontwikkelen om dit onderwerp, dit soort werk meer in betrokken
organisaties verankerd te krijgen. Dat betekent dat er nog meer
commitment nodig is, een breder draagvlak. Het kunnen niet alleen
studenten zijn of een enkele docent. Ik wil meer docenten in
beweging krijgen. Een route kan ook zijn dat je zegt: “Het gaat
eigenlijk altijd over macht”. Misschien is het wel heel goed om
dat soort machtsaspecten eens beter te doordenken, om daar wat
wijzer van te worden met elkaar. In feite gaat het in de driehoek
tussen beleid, onderzoek en praktijk ook om macht. Het is een
belangrijk issue”.
Soms denk ik dat mensen zich vastklampen
aan hun slachtofferschap, dat het een soort identiteit wordt. Hoe
zie jij dat?
“Het woord slachtoffer gebruik ik niet
zo vaak. Ik vind dat geen goed woord. Ik heb het over betrokkenen
of direct betrokken of ik benoem het geweld. Ik noem het ook geen
ervaringsdeskundigen, want niet iedereen die ervaring heeft met
seksueel misbruik is deskundig. Vroeger, in de tijd van Judith
Herman gebruikten we de term overlevende of survivor. Dat heeft
ook bepaalde nadelen. Het gaat om het zoeken naar een balans
tussen aandacht voor klachten en krachten. Het woord dader mag
eigenlijk alleen gebruikt worden als iemand veroordeeld is.
Daarvoor is iemand een pleger. Met deze concepten moeten wij
voorzichtig, gevoelig omspringen. Het schetst soms ook een
tweedeling waar die niet is. Het woord slachtoffer perst iemand in
een keurslijf. Dat is benauwenis. Ik wil juist ruimte”.
Ik zie vaak dat het verpestend werkt bij
mensen die zich vasthouden aan het slachtofferschap. Zij blijven
stil staan, verzuren en komen geen stap meer vooruit.”.
“Je ziet dat dit in de media ook niet is
veranderd. Wij zagen dat dubbele beeld al toen wij met misbruik
bezig gingen. De VSK, de Vereniging tegen seksuele
kindermishandeling, dat waren begin jaren tachtig vrouwen die
vanuit hun eigen ervaring deze krachtige boodschap naar buiten
brachten. Zij wilden gezien worden als deskundig en als
slachtoffer. Dat werd moeilijk gevonden. Juist hun
slachtofferschap heeft ook veel stuk gemaakt. Als je nu soms
bepaalde programma’s ziet wordt er vaak alleen maar een
onherkenbaar naamloos gezicht in beeld gebracht. Wat mij betreft
geeft dat aan dat betrokkene eerst slachtoffer is en blijft en
daarna pas een naam heeft. Ik denk dat dit een heilloze weg is.
Omdat ook dit sporen nalaat, en dat doet wat met een mens”.
Het kan natuurlijk ook psychisch geweld
zijn. Soms kan dat erger zijn dan lichamelijk geweld. Hoe kijk jij
ernaar?
“Ja, ik zie dat het ook in de taal zit,
in de bejegening, in de houding, in de soort vragen die wel of
juist niet gesteld kunnen worden. Misschien is dat wel de essentie
van de boodschap die ik wil overbrengen. Om het te duiden noem ik
dat voor het gemak het binnen- en buiten perspectief, in de doos
of buiten de doos. Dat is wezenlijk verschillend. We kunnen hier
buiten kijken en zeggen: “Kijk naar die lekkere broodjes die op
tafel liggen en de harde wind die met de bomen speelt. Moet je
eens zien wat een geweld.” Het kan ook zijn dat je zelf in die
doos zat of zit. Dan kijk je van binnen naar buiten door een
piepklein gaatje naar de wereld. Dat is een heel ander
perspectief. Zo zijn er verschillende perspectieven mogelijk op
die broodjes en op die doos. Als we te veel van buiten naar binnen
kijken verliezen we aan diepte, aan rijkdom, aan diversiteit. Dan
maken we het stereotiep. Binnen moet er ook (terug)gepraat en
gehoord worden naar buiten, maar van buiten moet er ook gepraat
worden naar binnen. Daarom kan het zo goed zijn om iemand iets te
laten ervaren over zijn of haar binnenwereld. Dat werkt
verbindend.
Om studenten dit mee te geven en te leren
interviewen geef ik soms een workshop. Ik laat ze dan bijvoorbeeld
5 minuten vertellen over hun verwachtingen die ze hebben over het
beroep wat ze willen gaan uitoefenen, vijf minuten hoe je weekend
is geweest en als derde 5 minuten over een pijnlijke kwestie in
hun familie. Daarna laat ik mijn studenten, terugkijken op wat het
hun gedaan heeft. Dat doe ik zo om ze te laten oefenen en te leren
reflecteren. Zij hoeven dus niet zelf geweldservaringen te hebben
gehad, maar moeten wel over het vermogen beschikken om zich te
kunnen openen en zich te kunnen verplaatsen in een ander. Juist
dat is heel belangrijk. Dat is eigenlijk ook waar ik iedere
professional die wil verdiepen naar toe wil leiden. Daarbij is
overigens ook van belang dat elk mens zijn of haar eigen grenzen
heeft en moeten leren bewaken”.
Wat misschien belangrijk is, ik ben geen
hulpverlener. Dat maakt verschil. Ik voer bijvoorbeeld wel
gesprekken met jonge mensen die intensief werk doen met mensen die
hele akelige ervaringen met hun delen. Dat gaat ook in je lijf
zitten en aan je gemoed kleven als je niet oppast. Het kan ook
zijn dat je eigenlijk niet zo geniet van je vrije tijd omdat je
nog nadenkt over wat je allemaal hebt gehoord. Ook hulpverleners
moeten zich leren te begrenzen en daarvoor een structuur
ontwikkelen. Als lector leer ik dat ook opnieuw te doen. In deze
functie sta ik soms wat meer in de schijnwerpers. Het is soms heel
goed om je terug te trekken en tijd te nemen voor studie of
reflectie. Ook al is het maar voor een paar minuten. Leren om dat
tijdig te doen is heel goed. Ik zie het als een noodzaak dat
mensen in deze sector ook passies naast hun werk hebben. Dit
urgente werk kan veel tijd en energie opslokken. Voor je het weet
is het een zaak van dag en nacht. Een ieder moet dat voor zichzelf
uitvinden en waarnemen waar kracht zit en waar een valkuil ligt.
Kortom zorgen voor een goed evenwicht”.
“Ik
heb dit vooral geleerd met het coachen van jonge mensen die over
communicatieve vermogens beschikken, die de empathie en ook de
kennis hebben om echte belangstelling aan de dag te leggen. Dat
zijn ook de mensen die ingewikkeld werk doen en daar door geraakt
worden. Het is daarom belangrijk om te weten wanneer je grenzen
worden overschreden. Dat weet je van te voren niet altijd. Het kan
best zo zijn dat dit is gebeurd en dat je dan alleen maar met een
zak chips op de bank wil hangen en lusteloos bent. Als dat
regelmatig voorkomt kan het zijn dat dit werk iets met je doet,
waardoor er een soort lusteloosheid, irritatie ontstaat. Het kan
ook zijn dat iemand zich nergens toe kan bepalen. Dat zijn
allemaal signalen dat er wat aan de hand is. Als dat aan de orde
is kun je bijvoorbeeld meer spelen met rust en een paar minuten
pauzeren om bewust ruimte te nemen om je benen te strekken, diep
door te ademen, om afstand te nemen. Wat ik geleerd heb door het
onderzoek is, dat het aanhoren van interviews en dat uitschrijven
misschien wel het meest emotioneel belastend is. Daarmee kunnen
als het ware draden samenkomen die in de loop van een gesprek zijn
geraakt. Tijdens een interview vergeet je namelijk bepaalde
nuances en details. Bij het uitwerken komt het dan bij elkaar. Dat
ga je je dan allemaal realiseren”.
Waar haal je de kracht en bezieling
vandaan in je dagelijkse leven?`
“Ik denk dat het belangrijk is dat
mensen dat voor zichzelf uitzoeken. Ik ben ongeveer 15 jaar
geleden gaan mediteren. Het is een van de grootste cadeaus die ik
mijzelf heb gegeven. Het mediteren geeft mij mogelijkheden om
dingen met aandacht en kracht te kunnen doen. Ik doe aan Zen
meditatie. Ik kom wekelijks in de Zendo in Utrecht, met een Sanga,
een gemeenschap van mensen. Dat is een belangrijke ontdekking voor
mij geweest. Het is niet makkelijk om dat in een paar woorden te
vatten. Misschien is het ook wel een soort gereedschap om te
kijken naar het leven zoals het is en naar mijzelf zoals ik ben.
Niet om het mooier te maken en ook niet vreselijk beroerd te maken
of aan te dikken. Maar te zien zoals het is”.
We hebben het eerder over
machtsuitoefening door mannen gehad. Wat hebben mannen volgens jou
echt nodig in deze tijd”.
“Mannen zijn vaker
pleger van geweld. Ze zijn verder, net als vrouwen, soms heel
kwetsbaar en soms ook erg gekwetst. Dat is niet iets wat aan
vrouwen of meisjes is voorbehouden en het geweld wat zij meemaken.
Mannen staan soms zowel aan de ene kant als aan de andere kant,
die van de macht en die van de onmacht. En wat mannen nodig hebben
in deze tijd is moed, ja, moed! Ik vind het heel krachtig als
mannen moed weten te tonen. Vooral om ergens voor uit te komen wat
nou niet direct hun meest sterke kant is en waarmee ze niet heel
soepeltjes om kunnen gaan. Ik vind het krachtig als mannen
vertellen wat er van binnen zit. Dat hebben mannen wat mij betreft
nodig. De manier waarop dat naar voren komt kan cultureel
verschillen. Dat mag van mij ook allemaal. Mannen hebben het
misschien wel nodig om dat in te zien. Dat ze elkaar ook leren
kennen en mogen”.
Wat
staat de man te doen in deze wereld?
“Het tonen van zijn
gevoeligheid en daarmee dus ook zijn kracht. Ik bedoel helemaal
niet dat het alleen maar een gevoelige, kwetsbare kant zou moeten
zijn. Het gaat mij om het geheel. Het complete plaatje, om dat zo
maar te duiden. Ik denk en ik hoop dat veel mannen in beweging
zijn. Als ik naar mijn man kijk zie ik dat. Die is ook opgegroeid
in een tijd dat zijn vader buitenshuis werkte als kostwinner en
zijn moeder het huishouden deed. Nu delen wij de zorg voor
kinderen en het huishouden. Hij is ook vaak eerder thuis dan ik.
Onze leefsituatie en taakverdeling is wel heel anders dan vroeger
van onze ouders.
Ik hoop dat jongens en
meisjes meer mogelijkheden hebben om met hun gevoeligheden,
verlangens en ambities voor de dag te komen. Misschien hebben wij
nu in de opvoeding ook wel meer persoonlijke aandacht voor wie en
wat een kind is. Dat helpt daar misschien wel bij. Ik heb een zoon
en heb er veel vertrouwen in dat hij uitgroeit tot een leuke man.
Het is natuurlijk nu al een leuk ventje, dat ook gevoelig kan
zijn. Mijn twee dochters verschillen veel van elkaar. Ook dat is
leerzaam en leuk”.
Ik
ervaar in mijn omgeving dat er veel twintigers en dertigers zijn
die zich vaak vrijer en opener weten te uiten over kwesties die
zich in hun binnenwereld afspelen.
“Dat is ook mijn
ervaring. Ik zie echter ook studenten met gescheiden ouders, die
zelf als kind getuige waren van geweld. Een deel van hen is
helemaal nog niet zo vaardig. Zij kunnen het nog niet in taal
vatten en daar uitdrukking aan geven. Misschien hoeft dat niet
altijd taal te zijn, maar je kunnen uitdrukken is denk ik wel een
heel belangrijke kwaliteit om je op weg te helpen”.
|