![]() |
|
|
|||||
|
|
|
|
De man in de wereld en de wereld in de man
Anja Meulenbelt
Logboek 8 september 2004: Ik ben met Jan mee wel eens een keer gast geweest bij een bijeenkomst van Stichting Mannenwerk. De enige vrouw tussen 70 mannen. Het was Jan’s idee. Ik had hem al vaker meegenomen naar vrouwengroepen, een man om op te oefenen. Dan mochten de vrouwen alles, maar dan ook echt alles aan hem vragen - alles wat je van mannen wilt weten en nooit durfde te vragen. Leuke sessies waren dat. Dus toen vroeg Jan mij mee voor een mannenweekeinde. En zat ik daar: alles wat je aan vrouwen zou willen vragen maar nooit durfde. Het ging veel over hun moeders. Johan van de Stichting Mannenwerk vroeg me om een kort stukje voor hun jubileummagazine over drie vragen: waar haal jij de kracht en bezieling vandaan? Wat hebben mannen in deze tijd nodig? Wat staat de man in deze tijd te doen? Ik kon helemaal niks bedenken, zulke grote algemene vragen, mijn kop bleef maar leeg. Ik vergat tot twee keer toe, Johan bleef maar aandringen, dat de deadline al was verstreken.Vanochtend wakker geworden bedacht ik dat ik een stukje moest schrijven over mijn vader - als antwoord op de vragen waar ik geen antwoord op heb. “VADER” Eerlijk,
ik wilde wel maar ik
kon niets
beginnen met de vragen die me werden toegestuurd. Wat hebben mannen in
deze tijd nodig? Wat staat de man in deze wereld te doen? Het probleem is
niet alleen dat ik niet graag anderen voorschrijf wat ze doen moeten, ik
merk ook dat ik niet meer over mannen denk alsof het één groep is, laat
staan dat ik een beeld krijg bij ‘de man’. Dat
was eens wel anders. Nadat we het – lang geleden – in links
voornamelijk hadden over ‘het systeem’, ‘het kapitalisme’ en ‘de
maatschappij’ als wortel van al het kwaad was ik erg tevreden om met de
opkomst van het feminisme ‘de mannen’ te ontdekken als doelwit voor
mijn woede. Meteen maar alle mannen. Na al het gewauwel over het
patriarchaat was het erg verfrissend om de boosdoeners concreet aan te
kunnen wijzen. Ik was een jaar of tien kwaad en knapte er erg van op. Wat
nam ik mannen zo kwalijk? Het was een hele reeks van dingen: vrouwen voor
je laten zorgen en daar dan ook nog neerbuigend over doen, over
‘huisvrouwtjes’, linkse, zoge Ik
heb Gerard Durlacher nog gekend, de schrijver, die als
jonge man Auschwitz had overleefd. Die schreef daarover een prachtig en
schrijnend boekje, Strepen aan de hemel. Eens zag hij boven het kamp
verkennings-straaljagers, en hij dacht, nu hebben ze het gezien, nu weten
ze het, nu komen ze ons helpen. Maar er gebeurde niets. Dit is de grootste
eenzaamheid, erger dan weten wat andere mensen je aan kunnen doen. De
omstanders: ze weten het, ze zien het, ze doen niets. Misschien
klinkt het te dramatisch om een vergelijking te maken. Maar ik kwam uit
een gewelddadig huwelijk met een man die mij en mijn zoontje bedreigde.
Daar ben ik aan ontsnapt. Maar teruggekomen in de gewone wereld na een
extreem isolement merkte ik dat ik dat verhaal niet aan mannen kwijt kon,
ook niet aan de mannen die mijn geliefden waren, die heel nabij waren in
principe. Als ik de vraag maar bevestigde: ik ben toch niet zo? dan was
verder alles wel in orde. Dat waren ándere mannen, daar hadden zij geen
boodschap aan. Later
veel later, na een tamelijk stevige crisis in mijn leven,
scheiding, baan kwijt, overgang, lag ik bij de therapeute op de bank. Voor
het eerst. Ik die al twintig jaar lang hulpverleners les gaf had nu zelf
hulp nodig. En ja hoor, daar was mijn vader. Niet de norse, autoritaire,
afstandelijke vader die ik inmiddels al vele jaren niet had gezien, maar
de vader uit mijn allereerste jaren die ik was vergeten. Toen hij nog lief
voor me was, me op zijn schouders nam als ik moe was en die op het strand
een fort voor me bouwde van zand waar we dan samen op stonden tot de
golven te hoog kwamen en hij me optilde en veilig naar het droge droeg.
God wat had ik die vader gemist. Ik huilde daar op die bank mijn oren nat.
Twintig
jaar had ik hem niet gezien. Ik had hem nog een brief geschreven,
jaren daarvoor, toen mijn moeder, zijn ex, op sterven lag. Ik dacht: al
haatten ze elkaar, je moet toch niet in de krant hoeven lezen dat de
moeder van je kinderen dood is. Geen antwoord. Ik dacht dat ik het op gaf.
Maar een man, een vriend van me, zei: ga toch eens naar hem toe. Hoe oud
is hij? Over de tachtig? Je hebt niet veel tijd meer. Straks is hij dood
en dan spijt het je dat je het nooit meer geprobeerd hebt. Die vriend
moest iets doen waar hij helemaal geen zin in had. Hij moest naar de
huisarts om te gaan vragen om antidepressiva. Dat leek mij nou een klusje
van niks, maar hij zag er erg tegen op. Na een paar glazen wijn te veel
maakten we een deal. Als hij naar de huisarts zou gaan zou ik mijn vader
schrijven. Een paar dagen later lag er een envelop in de bus met een
kopietje van een recept. Toen moest ik wel. Binnen
twee dagen had ik antwoord. Ik herkende het handschrift op de
envelop na twintig jaar nog steeds.
Ik
nam een flinke bel jenever en maakte de envelop open. Een korte maar
vriendelijke brief, lieve Anja, ja, hij wilde mij ook graag zien, en er
onder stond: je vader. Ik maakte een kopie ervan voor de vriend en liet al
mijn geliefde mensen zien wat er stond: je vader. Ik had een vader. Daar
had het wat mij betreft bijna bij kunnen blijven, het was bijna genoeg.
Maar niet voor hem. Twee weken later een nieuwe brief, korzelig, bijna
boos, waar blijf je nou? Ah, dacht ik, zo ken ik hem weer. Dwingeland.
Twintig jaar niets van je laten horen en dan denken dat het zomaar gaat. Zijn
vrouw haalde me op van het station. Ze zei: je vader is erg
zenuwachtig, hij loopt al de hele ochtend te ijsberen. Bij hun huis
aangekomen ging de deur open. Daar stond mijn vader, zijn armen naar me
uitgestrekt, en zei: zo, Meulenbelt. Het
was nog net op tijd. Niet lang daarna begon hij zachtjes te
dementeren en gleed steeds verder weg. We hebben het nooit meer over
vroeger gehad maar dat hoefde ook niet. Alle feiten vielen uit zijn hoofd.
Maar de emoties bleven. Dan keek hij me onderzoekend aan als ik hem kwam
zien, ken ik die? Hij wist niet meer wie ik was. Maar wel dat hij me graag
zag. Dan pakte hij mijn hand, en zaten we vredig en zwijgend samen op de
bank. Ik had mijn vader van heel vroeger weer terug, al waren de rollen nu
omgedraaid, ik de beschermende, hij het kind. Sindsdien
kan ik het niet meer zo eenvoudig hebben over ‘mannen’ of over
‘de man’. Dus die vragen, die kan ik niet beantwoorden.
Anja Meulenbelt was vanaf het begin betrokken
bij de vrouwenbeweging. is o.a.publiciste en schrijfster van zo’n 40
boeken. Hiervan zijn “het
beroofde land” en “een spiegel liegt
niet’ de meest recente. Sinds 1994 werkzaam in de Gazastrook, met
zelfopgerichte Stichting Kifaia, om daar gehandicapten, waaronder veel
intifadaslachtoffers te ondersteunen met trainingen en fondsenwerving.
Sinds juni 2003 Eerste-Kamerlid voor de SP.
|
cover
back
|
|
|