| Het
Mannenwerk bestaat 25 jaar. Als voorzitter
hoor je dan een moment stil te staan bij waar we
op het moment zijn, terug te blikken op wat we
gedaan en bereikt hebben, en vooruit te kijken op
wat ons in deze tijd, in deze wereld te doen
staat. In het werken met mannen hebben we ons al
die jaren, hoewel de vorm er steeds wat anders
uitzag, altijd op hetzelfde gericht: persoonlijk
leiderschap en bewustzijn. Werken met deze
thema’s heeft ons kracht en helderheid
opgeleverd. Maar het heeft ons gelukkig ook
geconfronteerd met ons menselijk onvermogen.
‘Gelukkig’ zeg ik, omdat het ons gevoelig en
mild maakt voor het gegeven dat mensen niet
volmaakt zijn. Het relativeert onze ideeën over
autonomie, verantwoordelijkheid, effectiviteit en
succes. En het houdt ons in contact met het lijden
van de wereld.
In
een interview in de Volkskrant antwoordt regisseur
Paula van der Oest op de vraag waarom haar films
zo vaak over menselijk onvermogen gaan: ‘Het
is wat iedereen drijft. Mensen willen iets en in
de meeste gevallen lukt dat niet. In je leven doe
je heel veel moeite, je worstelt en ploetert,
brengt offers, maakt soms wel eens prettige dingen
mee, en aan het eind ervan ga je dood. Als ik daar
goed over nadenk vind ik dat onverdraaglijk. Ook
de fouten die je van generatie op generatie
doorgeeft. Daar word ik wel somber van. Dat je
niet onder sommige dingen uitkunt. Voor je het
weet, denk je: goh, dit lijkt bijzonder veel op de
situatie van dertig jaar geleden. Maar het is
ook de schoonheid van het leven!’
Op
het eerste gezicht misschien een wat
zwaarmoedige kijk op het bestaan. Toch heeft deze
kijk regisseur Van der Oest er niet van weerhouden
dit jaar een film te maken, over Surinamers in de
Bijlmer, die door recensenten beschreven wordt als
een: ‘vrolijke, lichte, feel good-movie’.
Ze spreekt in het interview
over menselijk geworstel en geploeter en
ziet daar tegelijkertijd de schoonheid van het
leven in. Mijn hart springt er van open!
Kerkvader
Augustinus beschouwde het al in de vijfde eeuw
als het hoogst haalbare voor de mens: het lijden
van de wereld mee te kunnen lijden en zich
tegelijkertijd te verheugen over het wonder en de
schoonheid van de schepping. Dat besef van de
eenheid van alle leven kan je terugvinden in alle
grote wereldreligies. Het is in feite ook de
wezenlijke betekenis van het woord religie: ‘verbinding’.
Alles en allen op de wereld zijn met elkaar
verbonden. We ademen dezelfde lucht in en uit,
alle wateren op aarde staan met elkaar in
verbinding. Als de lucht en het water ergens
vervuild raken dan tast ons dat allemaal aan. We
willen dat niet altijd beseffen omdat het zo
overweldigend is in zijn consequenties, maar intuïtief
weten we dat het zo is. De pijn van mensen,
honger, armoede, geweld, alle lijden van mensen in
de wereld gaat ons allemaal aan. En omgekeerd is
het ook zo dat elke daad van ons effect heeft op
de hele wereld.
In het Chassidisme, een Joodse mystieke
stroming, wordt
letterlijk gezegd, en niet alleen maar bij
wijze van spreken: ‘als je één mens op deze
wereld redt, dan red je de hele mensheid!’
We
hebben in het westen geen traditie meer van
spiritueel leiderschap. Niemand begeleidt ons als
wij op bepaalde momenten in ons leven ‘grote’
inzichten en ervaringen hebben.
We hebben een ambivalente houding tegenover
‘verlichte geesten’. We laten ons nog wel
aanspreken en inspireren door hun overstijgende
uitspraken en levenswijzen, maar voor het gewone
dagelijkse leven lijken ze toch te ver van ons af
te staan, lijken ze vaak ook te radicaal.
Toen
ik twintig was heb ik een ontnuchterende
ontmoeting gehad met Krisnamurti. Ik was naar een
bijeenkomst gegaan in het Congrescentrum in Den
Haag. Ik was jong, idealistisch en hongerig naar
antwoorden op de grote levensvragen: wie zijn wij,
wat is de zin van ons bestaan, en wat staat ons te
doen? En ik wilde oplossingen voor de
ongerijmdheden van oorlog en onrecht in een wereld
die tegelijkertijd ook zo wonderlijk mooi was. De
zaal zat vol met zoekers en verlangers. Ik zat op
de derde rij en om mij heen zaten oude dames met
lange vlechten en wijde jurken. We zaten allemaal
in een prettige opwinding te wachten op de man die
het wonder aan ons zou gaan voltrekken en ons
vervullen met zijn wijsheid en liefde. Ik kende
Krisnamurti van zijn boeken, dus ik had beter
kunnen weten. Ik wist dat hij in het begin van de
twintigste eeuw door de theosofen-vereniging
ontdekt was als ‘verlicht meester’ en dat ze
hem naar voren hebben proberen te schuiven als
leider van een nieuwe wereldwijde religieuze
beweging, maar dat hij voor de eer had bedankt.
Hij hief persoonlijk de hele organisatie op omdat
hij van mening was dat organisaties schadelijk
zijn voor het zoeken naar waarheid en vrijheid:
‘Truth is a pathless land!’
Krisnamurti liep langzaam, oud, klein en
stil het podium van het congrescentrum op en ging
op een rechte stoel zitten. Hij zweeg lang, zijn
ogen waren gesloten en hij ademde. Ik kon hem
recht in zijn gezicht zien. Ik had even de
gewaarwording dat er helemaal niemand zat. Vanaf
het moment dat hij begon te spreken leek hij er
voor-namelijk op uit om al onze verwachtingen en
hoop om zeep te helpen. Hij sprak een beetje
eentonig, leek wat nors, en reageerde vermoeid op
de vragen die uit het publiek aan hem gesteld
werden. Elke vraag werd teruggekaatst, elke vrager
op zichzelf terug geworpen. Er was geen
verlossing, geen liefde, geen bevrijding: ‘De
waarheid ligt in het kijken naar wat is. Zichzelf
zien zoals men is, is het begin en het einde van
alle zoeken’. Ik vond het een kale en
sombere visie op het leven. Ik was twintig,
worstelde met mijn homoseksualiteit en ik wilde
mezelf helemaal niet zien zoals ik was, ik wilde
boven mijzelf uitstijgen. Het heeft daarna nog
jaren geduurd voordat ik de schoonheid van zijn
levenshouding kon zien en zelf ervaren.
|