|

foto©Sjaak
Ramakers
Pater Jan van
Kilsdonk 19
maart 1917 - 1 juli 2008
Pater
Jan van Kilsdonk SJ
heeft tientallen jaren krachtige ondersteuning geboden aan
honderden Amsterdamse homo’s die problemen ondervonden
bij hun coming-out. Hij wist als geen ander (vaak
gelovige) ouders te bewegen respect te ontwikkelen voor de
seksuele voorkeur van hun kind.
Als studentenpastor werkte
Van Kilsdonk niet vanuit een kantoor, maar was op de
plekken waar homo’s kwamen, in de kroegen. Hij nam in
1982 al afscheid als studentenpastor, maar heeft in de
jaren daarna ook heel veel steun geboden aan mensen met
aids
Vele mannen in de homoscene van Amsterdams en daarbuiten
hebben een goede herinnering aan Pater Jezuïet Jan Van Kilsdonk.
De een omdat hij een goed gesprek met hem heeft kunnen voeren, de
ander omdat hij de eerste man was die op hem afkwam die “niets
van hem wilde”.
Voor de redactie van Magazine.nl stond de pater
dan ook al een tijdje op de verlanglijst om een gesprek mee te
voeren.
Aan de hand van de vragen naar bezieling en kracht en wat
mannen nodig hebben en wat ze doen staat werd het een gesprek over
het milieu waarin hij opgroeide, over (on)bewust keuzes maken,
levenslang blijven leren en zijn motivatie om zich nadrukkelijk
met homoseksuele en lesbische studenten bezig te houden
|
"Ik ben mateloos ontroerbaar door mensen.
Mensen zijn voor mij heel boeiend en inspirerend. Ik ben natuurlijk niet
getrouwd, heb geen kinderen en ik ben mijn hele leven celibatair. Ik denk
dat ik mijn energie daarom heel anders en daarom op mensen richt.
Overigens denk ik dat het celibaat voor pastoraal werkers in dit
tijdsbestek helemaal is achterhaald”.
Aan het woord is Pater Jan van Kilsdonk
over zijn bezieling en zijn kracht. En over de eeuwenoude gemeenschap waar
hij opgroeide.
door
Vivan Mell
Het zevenhonderd jaar oude katholieke Brabantse dorp Zeeland
was een gesloten gemeenschap. Iedereen was afhankelijk van iedereen. De
molenaar van de boer, de boer van de landarbeiders, de slager van de boer
net zoals de notaris ook van de boer, molenaar en landarbeider afhankelijk
was”.
In dat milieu kwam in 1917 Pater Jan Van
Kilsdonk ter wereld als zoon van een in goede doen verkerende molenaar. Pa
was de trotse eigenaar van drie molens. Het gezin telde slechts drie
zonen. Voor een goed katholiek gezin in het begin van de vorige eeuw was
dat uitzonderlijk. Grote gezinnen met tien of meer kinderen waren
de norm.
Zuster had ik niet,
mijn moeder was ziekelijk en is vrij jong gestorven, daarom is het gezin
zo klein gebleven”.
Molenaar worden zoals zijn vader en
voorvaderen zat er voor hem en zijn broers niet in. Zijn vader schatte de
gevolgen van opkomende mechanisatie goed in en voorzag het uitsterven van
het molenaarsberoep. Tegen zijn zonen zei hij dan ook dat molenaar worden
er voor hen niet meer in zou zitten. Ze moesten maar gaan leren om later
de kost te kunnen verdienen.
Ik
vond het niet zo
bedroevend dat ik geen molenaar kon worden om dat ik erg studaxs
(studiebol, nerd. (Red.) ben aangelegd. Mijn vader had weliswaar geen hoge
academische idealen voor ons, toch betekende het dat we, om naar een
middelbare school te kunnen, na de lagere school naar een kostschool
moesten. Voor de tweede wereldoorlog waren er namelijk nauwelijks
middelbare scholen in Nederland. Bovendien was bij de burgerij en hogere
standen in die tijd het internaat een heel gewaarde instelling”.
Het werd onder andere een internaat in
Nijmegen. Van de drie jongens in het gezin Van Kilsdonk
was hij de enige die graag en veel las.
Ik had als jongen van 17 jaar zeker voor zo”n 2000 gulden
aan boeken. Ik had boeken van Henriëtte Roland Holst, en het hele werk
van Herman Gorter, werk van PC Hooft en andere Nederlandse schrijvers en
dichters. Ik was helemaal weg van de Nederlandse dichters. Dat lag nou
eenmaal in mijn aard. Ik ontwikkelde in die periode ook een interesse om
monnik te worden, maar dan sterk intellectueel. Na een zeker beraad heb ik
me bij de jezuïeten aangesloten. Ik was toen zo”n jaar of 18”.
Zijn keuze om naar het seminarium te gaan
en priester te worden is niet ingegeven door druk uit zijn sociale
omgeving. In tegendeel zelfs stelt Van Kilsdonk. Zijn antwoordt laat
echter wel ruimte voor twijfel:
Er is bepaald geen druk op mij
uitgeoefend om naar het seminarie te
gaan of om priester te worden. Zoiets kwam in Brabant niet voor. Althans,
met zekerheid kan ik er niets over zeggen. Ik heb er nooit iets van
gemerkt. Bij mij was dat absoluut niet het geval. In mijn familie ben ik
de eerste en de laatste priester.”
Vader Van Kilsdonk was een heel plezierig
gelovig mens, maar praten over god vond hij aanstellerij. Hij vond het
akelig en heeft het ook nooit begrepen dat zijn zoon Jezuiet is worden.
Deze orde vond hij hautain, elitair en hooghartig. Als hij dan toch
priester wilde worden had hij het kunnen begrijpen als hij zich bij de
kapucijnen had aangesloten. Invloed op zijn relatie heeft zijn keuze voor
de jezuïeten overigens niet gehad. Die was en bleef, zoals de pater dat
noemt, “uiterst sympathiek”
Studeren en leren van zijn ontmoetingen
met mensen is een positieve factor in zijn leven geweest, hij deed dat
graag. Tijdens de vele retraites die hij aan priesters heeft gegeven legde
hij daar altijd de nadruk op. Vooral als hij merkte dat een priester zich
niet meer ontwikkelde klonk op een gegeven moment altijd de waarschuwing:
”U moet wel levenslang blijven
studeren!”. Want dat was vaak niet het geval.
Een ander belangrijk punt wat hij altijd
voorhield tijdens een retraite was dat het van groot belang was in een
pastorale relatie om je niet voor te laten staan op je kennis of
geleerdheid:
Als
het duidelijk merkbaar is dat je meer dan
Mavo hebt en hoog opgeleid bent, ben je verkeerd bezig. Dat is niet
communicatief Het betekend overigens niet dat je als pater een geleerde
moet zijn, daar moet je ook de aanleg voor hebben. Je moet echter wel
voortdurend studeren en bij de tijd blijven. Dat is nodig om het geschrift
te kunnen blijven vertalen naar de huidige steeds veranderende
maatschappij. Anders wordt je voorspelbaar, saai en clichématig”.
Als voorbeeld haalt Van Kilsdonk Lucas 15
aan dat handelt over de verloren boerenzoon die bij zijn terugkeer naar
het ouderlijk huis door zijn vader met open armen wordt ontvangen.
Het dat
verhaal van Lucas 15 droog wordt voorgelezen en afgeraffeld, dan is het
saai. Wordt het benaderd en uitdragen als het meesterwerk van literaire
kunst dat het is, is de toehoorder steeds verbaasd dat de verloren zoon zo
met open armen door de vader werd ontvangen“
Een vraag van mij waar hij zijn motivatie,
kracht en bezieling vandaan haalt spits Van Kilsdonk toe op zijn werk met
homoseksuele mannen en lesbische vrouwen. Hij vertelt dat hij op dat punt
een grote laatbloeier is. Voor zijn dertigste heeft hij nooit bewust met
homoseksuele mannen gesproken. Hij had, net als vele anderen op dit punt
totaal geen oog voor de sensibiliteit van zijn leerlingen. Dat veranderde
toe hij zo’n vier jaar godsdienst leraar was in de hogere klassen van
het Sint Ignatius College. De ommekeer kwam toen een oud leerling, over
wie hij zijdelings had vernomen dat hij homo zou zijn, suïcide pleegde.
Dat heeft
mij toen ontzettend aangegrepen. Die jongen die liet een dagboek na waarin
hij een aantal leraren beschreef, waaronder ik. Hij beschreef ons, op een overigens niet vijandige of
agressieve wijze, als totaal naïef en ongevoelig voor die problematiek.
Dat heeft mij wel de ogen geopend. Ik was echt oprecht verbaasd dat ik
daar, zelfs als godsdienst leraar, geen aandacht voor heb gehad. Enige
tijd later heb ik eerst een paar lesbische meisjes leren kennen. Ik ben
bij hun ouders geweest en heb gesprekken met hun gevoerd en leerde het
begrijpen en kreeg inzicht hoe dat zat. Toen zijn mijn ogen open gegaan en
kreeg ik er aandacht voor“.
Daarna verontschuldigt Pater Van Kilsdonk
zich en vertelt dat hij er in zijn jeugd niet mee in aanraking was gekomen
omdat hij veel studeerde en weinig contact had met leeftijdgenoten. Uit
boeken wist hij best wel dat het bestond. Maar uit boeken wist hij zo
veel, ook dat er misdadigers bestonden en schatrijke mensen. Die had hij
in zijn jeugd ook niet in zijn omgeving.
Oog voor homoseksualiteit heeft Jan Van Kilsdonk
trouwens niet wezenlijk ontwikkeld in de 10 jaar dat hij leraar was. Hij
kreeg wel contact met een enkele leerling die er met hem over sprak. Dat
veranderde toen hij in 1959 studentenpastor werd en daardoor veel in de
universitaire wereld verkeerde. De onlangs overleden oud minister
Diepenhorst, die in die tijd rector was van de Vrije Universiteit, zag
kennelijk wat in hem en bood hem een werkkamer aan in op de VU. Dat
eervolle aanbod sloeg hij af omdat hij liever “in het wild” wilde
werken en contact met jonge mensen leggen op studentenflats en andere
gelegenheden zoals in een kroeg of een sociëteit.
Zeker toen ik in de vijftig was kwam ik vijf avonden per week
in een studentenflat. Op maandag-avond in Uilenstede, dinsdag Diemen en
donderdag Zilverberg in noord. Ik werkte toen samen met een
studenten-dokter en een psycholoog van de Universiteit van Amsterdam. Onze
bedoeling was om op een positieve manier de emancipatie te bevorderen van
de homoseksuele student. Op een gegeven moment kwamen we op het idee om
een groot feest te organiseren voor homoseksuele studenten. “Akhnaton”
in Amsterdam stelde hun ruimte ter beschikking. Op de eerste avond kwamen
ruim 300 jongens af. Dat heeft zich later nog eens herhaald en waren er
zelfs studenten uit Utrecht en Leiden.
Op zulke avonden was hij altijd aanwezig
en liep daar tussendoor en soms ook tussen dansende paren waarvan hij
sommigen al langer kende maar niet wist dat ze homo waren. Het ging
allemaal spontaan. In die tijd begon hij ook “De Schakel”, de sociëteit
van het COC in Amsterdam, binnen te lopen. Hij werd daar een bekende
verschijning. Op een gegeven moment vroeg de portier altijd of hij zijn
jas mocht aannemen. Hij beschouwt dat nog steeds als eerbetoon van dat
milieu voor zijn belangstelling, openheid en nabijheid. Men wist immers
dat hij een beschaafde en ontvangende man was.
Ik merk dan op dat het van groot belang is
geweest dat iemand uit
katholieke kringen belangstelling toonde. Van Kilsdonk:
Het is nooit iets
exclusiefs geweest, die indruk is verkeerd. Maar wat wel aan de hand was
dat als je in die kringen respect, eerbied en aandacht had voor lesbische
vrouwen en homoseksuele mannen, dan krijgt men kennelijk al snel de indruk
dat je exclusief bent. Dat was helemaal niet zo. Wat er aan de hand was
dat binnen een aantal jaren de hele studentenwereld wist dat ik open en op
den duur ook enigszins deskundig was in de wereld van seksuele
minderheden”.
Over pedofilie weet hij overigens maar bar
weinig zegt hij vervolgens. Hij kent er wel een paar maar is er toch niet
erg in thuis en wil er, om geen fouten te maken, geen uitspraken over
doen. Hij denkt trouwens dat veel mensen, onder wie journalisten, er wel
fouten en vergissingen in maken.
Ons gesprek ontwikkelt zich in de richting
van het gevoelsleven van mannen. Dan poneer ik de stelling dat de westerse
man slecht met zijn gevoelsleven omgaat. Hen wordt immers van jongst af
aan geleerd dat “een flinke jongen niet mag huilen”. Opnieuw reageert
Van Kilsdonk met de wijsheid van een man met veel levenservaring
Ik ken een heleboel mannen die er erg onder lijden dat zij
niets voelen, en zeggen: “had ik het maar meer”. Wat ik aan ze merk is
dat zij er erg mee zitten, in hun grenzen gevangen zijn en pijn hebben om
dat gemis aan gevoel. Een psychiater met enig talent is voor die mannen
goud waard, onbetaalbaar. Een therapeut moet overigens in eerste instantie
echt betrokkenheid voelen, en die ook echt kunnen tonen. Alleen met een
academische scholing kom je er niet.”.
Verrassend genoeg zegt hij vervolgens met
een scherpe toon dat er in
die sector veel te veel psychiaters zijn die alleen maar dure woorden
gebruiken en met een air dingen zeggen als: “ja, dat komt door uw
achtergrond” of “u kunt er niets aan doen” en “u bent wie u
bent”
Feitelijk wordt daarmee
gezegd: “u kunt niet veranderen”. Alsof een mens een optelsom is van
de combinatie van de vader en moeder. Een mens zit ongelooflijk veel
gecompliceerder in elkaar dan dat”.
Vivan Mell
|